![]() |
|
|
DE OPKOMST (EN ONDERGANG) VAN DE DIGITALE BEELDCULTUUR 3 november 2001 Lezing gehouden op het Congres 'Taal en beeld' van het Genootschap Onze Taal op zaterdag 3 november in De Doelen te Rotterdam. Geachte aanwezigen, Voor u staat een jubilaris. Ik geef toe: het is wellicht een beetje vreemd om het zelf aan te moeten kondigen maar in mijn eenzame bestaan als freelance journalist kamp ik met een schrijnend gebrek aan feestjes. Dus ik hoop dat u begrijpt dat ik deze gelegenheid om later te kunnen zeggen dat ik mijn jubileum vierde in een volle Grote Zaal van de Doelen niet ongebruikt voorbij laat gaan. Vandaag precies tien jaar geleden namelijk verscheen in het Wetenschapskatern van de Volkskrant mijn allereerste artikel over internet. Of althans: het gebruik van e-mail en de communicatieproblemen die met die toen nieuwe vorm van communicatie gepaard gingen. In dat artikel deed ik onder meer de volgende constatering: "In een poging de communicatiekloof te slechten, grijpen de E-mailgebruikers terug op de oervorm van de schriftelijke communicatie: het beeldschrift. Er bestaan inmiddels digitale hiëroglyfen die moeten voorkomen dat opmerkingen verkeerd worden opgevat. Zo kan de zin "Wat ben je toch een sulletje" gevolgd worden door de dubbele punt, streep, haakje sluiten, een serie leestekens die tezamen het liggende beeld van een lachend gezicht vormen, om aan te geven dat de constatering slechts vriendelijk bedoeld is." U begrijpt wellicht dat ik het hier had over een verschijnsel dat thans bekend staat als de Smiley. Het is een in leestekens vormgegeven weergave van het knalgele lachende gezichtje dat in 1963 werd ontworpen door Harvey Ball en sindsdien niet meer uit onze maatschappij is weg te denken. De smiley is een icoon van de jaren zestig en misschien nog wel meer van de relaxte vrolijke levensstijl die indertijd gepropageerd werd. Tegenwoordig is de leestekenvariant van de smiley onmiskenbaar in de schriftelijke communicatie aanwezig. In de boekhandel bijvoorbeeld liggen zelfs boekjes waarin uitleg wordt gegeven over de tientallen varianten en aanverwante symbolen. De opmars lijkt niet te stuiten. Voor een deel kan die gretigheid verklaard worden vanuit de - naar ik begrepen heb ook in uw kringen vaak bediscussieerde - behoefte aan een ironie-teken. De smiley is zo'n ironie-teken. Dat is het goede nieuws. U hoeft niet meer te discussiëren over de wenselijkheid ervan. En het hele dilemma over het toevoegen van een nieuw leesteken of het toekennen van een nieuwe betekenis aan een bestaand teken is met een slimme manoeuvre overbodig gemaakt door de smiley, een samengesteld leesteken. Tik in een tekstverwerker als Microsoft Word een dubbele punt, streepje en haakje sluiten na elkaar en voilá, het programma verandert deze tekenreeks automatisch in een heuse smiley. (Het is trouwens een extraatje dat volgens mij menig wetenschapper tot razernij moet drijven omdat de kans groot is dat de tekstverwerker een voor de Nobelprijs in aanmerking komende formule alsnog ongemerkt verandert in een goede practical joke. Ja, u moet het gevoel voor humor van Bill Gates toch vooral niet onderschatten.) De transformatie van de oorspronkelijke smiley naar leesteken en de daarop volgende verwerking ervan in teksten kan gezien worden als een onmiskenbaar voorbeeld van het oprukken van de beeldcultuur. Immers, de smiley kon alleen maar aan zijn opmars beginnen omdat de schriftelijk taal tekort schoot in de nakende wereld van de snelle communicatie via internet. Schrift dat is iets voor boeken, voor verhandelingen. Schrijven is iets dat nadenken en afwegen vereist. De lichtsnelheid waarmee digitale communicatie verloopt kan op dat soort getreuzel niet wachten. De opkomst van het gecomputeriseerd schrijven zorgde bovendien voor de transformatie naar spreektaal van het geschreven woord, de snelheid waarmee geschreven wordt maakt het immers mogelijk als het ware een conversatie met het beeldscherm aan te gaan. De smiley vult daarbij efficiënt de lacune tussen spraak en schrift die het beeldscherm nu eenmaal kent. Spreektaal kan amper zonder beeld. Wie spreektaal gebruikt heeft als vanzelf behoefte aan gezichtsuitdrukking, het gebaar, of bij gebrek aan echt beeld het klankbeeld: de intonatie. De smiley blijkt op dat gebied een wondermiddel, een soort verzekering tegen misverstanden, zoals de gewone glimlach ook vaak gebruikt wordt. Zij het dat die laatste meer venijn kent en dat de smiley nog niet zodanig geëvolueerd is dat ze net als de glimlach dubbelhartig gebruikt kan worden. De smiley is echter niet de enige indicatie van de opmars van de beeldcultuur. Het web zelf is er misschien nog wel het beste voorbeeld van. Het web is veel jonger dan internet zelf en voegde beeld toe aan een netwerk dat tot dan toe louter uit tekst bestond. Met als resultaat dat internet vrijwel meteen razend populair werd. Een betere illustratie van de kracht van het beeld is amper denkbaar. Ruim twintig jaar lang bestond internet uit louter tekst en werd het bestaan er van nauwelijks opgemerkt. Maar toen kwam het web met de plaatjes en in een tijdsbestek van slechts enkele jaren wist het een stevige maatschappelijke positie te veroveren. Overigens bestond die beeldcultuur natuurlijk al langer, de digitale media fungeerden meer als katalysator. Descartes mocht dan nog zeggen: 'ik denk dus ik ben', sinds enige tijd is het niet meer belangrijk wat je denkt, het gaat om je image, het beeld dat je oproept. Ontwikkelingen als bijvoorbeeld MTV, het eerste wereldwijde massamedium dat alleen maar draaide om beeld en klank en waar gesproken woord nagenoeg afwezig was, vormde daarvoor het overduidelijke bewijs. Om nog maar niet te spreken over de erotisering van het dagelijks leven en de onverzadigbaarheid aan beelden die daarmee gepaard gaat. Het mooie van digitale media is dat het je in staat stelt op relatief eenvoudige wijze zelf beeld te maken. Sterker nog: de digitale media hebben in hoog tempo de tekst achter zich gelaten ten faveure van beeld. In de begindagen vereiste het bedienen van een computer kennis van geschreven commando's en opdrachten die nauwkeurig in de juiste volgorde ingetikt moesten worden, heden ten dage is die techniek nagenoeg geheel verdwenen. Een programma start je thans door op een icoontje te klikken. De eerste computer die dat mogelijk maakt was de Apple, een machine die dan ook niet toevallig razend populair is onder vormgevers en andere beeldtaalgebruikers. De vroege passie van die beroepsgroep voor dit systeem valt wellicht te verklaren vanuit het gegeven dat een groot deel van hen lijdt aan woordblindheid. En het is dan ook niet toevallig dat op de eerste baanbrekende internationale conferentie over digitale vormgeving, de in 1993 te Amsterdam gehouden Doors of Perception, de onvermijdelijke victorie van de beeldcultuur werd verkondigd. De redenatie is ook logisch. De woorden zeggen het zelf eigenlijk al. Digitale media maken gebruik van een beeldscherm. Beeld-scherm. En wat zie je op een beeldscherm? Nieuwe media. Nieuw, dat was het woord wat het laatste decennium van het voorbije millennium beheerste, nieuwe media, nieuwe economie, nieuwe tijden. Het is het soort nieuw dat geen ruimte meer laat voor oud. Als er nog plaats was voor woorden dan was het louter als beeld. Een beeldend kunstenaar als Jenny Holzer bijvoorbeeld gebruikt woorden, slogans op die manier. Brian Eno deed hetzelfde bij de vormgeving van de wereldwijde ZooTV toernee van de popgroep U2. Grote videoschermen toonden woorden, kreten, als niet meer dan snelle beelden. Een revolutie is pas echt geslaagd als de oude macht niet alleen volledig is overwonnen maar haar functies zijn geïncorporeerd in de nieuwe verhoudingen en daar leek hier sprake van. De woorden waren zelf beeld geworden. En de opmars leek niet te stuiten. Het dagboek maakte plaats voor de persoonlijke webcam, om maar een voorbeeld te noemen. En de volgende generatie mobiele telefoons zal ons in staat stellen direct beelden naar elkaar te sturen. Kortom, het was dan ook hoog tijd dat er in Nederland en in het bijzonder in de stad Rotterdam een Internationaal Centrum voor Beeldcultuur zou komen. Een betere manier om deze stad op te stuwen in de vaart der volkeren leek nauwelijks voorhanden. Alleen… dat centrum komt er niet. En het sneuvelen van die plannen enkele weken geleden is een teken aan de wand, het zoveelste. Er is de afgelopen tien jaar namelijk iets misgegaan met onze perceptie van de werkelijkheid. In de drang naar nieuw nieuw nieuwer hebben we dingen gezien die er niet waren, ongeveer op dezelfde manier zoals de gretige goedgelovigen vliegende schotels zien. De mogelijkheid om beelden via de mobiele telefoon te verzenden bijvoorbeeld zal er ongetwijfeld komen, al duurt het waarschijnlijk langer dan iedereen denkt. Maar dan nog is er de vraag of we daar gebruik van zullen maken. Weliswaar dwingt het begrip imago een zekere mate van zelfverzekerdheid af maar in werkelijkheid zijn wij stervelingen nog even onzeker als altijd, nog even schichtig als dertig jaar geleden. De telecommunicatiespecialisten mogen er graag op wijzen dat de mobiele telefoon razend populair is onder scholieren, vooral het SMS-en, het uitwisselen van korte berichtjes, en dat het versturen van beelden alleen nog maar populairder zal zijn. Maar is dat ook zo? Is de SMS eigenlijk wel zo nieuw? Is SMS niet alleen maar een oud verschijnsel in een nieuw jasje? Sinds mensenheugenis is een van de populairste communciatievormen onder scholieren het doorgeven van briefjes. SMS is een voortzetting van die traditie met andere middelen. En waarom zijn briefjes populair? Omdat ze de veiligheid van het geschreven woord bieden. Het woord bied je de volledige ruimte, ontdaan van iedere beperking en vooral iedere directe confrontatie. Wie denkt dat beeld het van woord gaat winnen moet eens met een puber een foto-album van hem of haar bekijken. En dat geldt niet alleen voor pubers. Wie van de aanwezigen is tevreden met de pasfoto die in het zijn of haar eigen paspoort prijkt? Er is maar een heel klein deel van de mensheid dat content is met zijn fysieke zelfbeeld, en het is waarschijnlijk niet het meest aangename deel, noch het meest sociale. En op internet zijn weliswaar nog steeds webcams te zien, al lijkt de hype er net als op andere onderdelen wel vanaf, maar ze worden steeds vaker begeleid door dagboeken dan wel andere schrijfsels die inzicht moeten bieden in het leven van de tentoongestelde. Louter exhibitionisme is op den duur kennelijk toch niet voldoende om een band te scheppen, de kijker te behagen. De verlokking van het beeld is eindig, op een gegeven moment wil je toch weten wie er nu eigenlijk te zien is of wil degene die zich toont meer van zichzelf laten zien dan alleen het uiterlijk. En vooralsnog is de taal de enige manier waarop we een conversatie kunnen aangaan met iemands innerlijk. Het uiterlijk is niet meer dan een glimlach van onze ziel, aantrekkelijk wellicht maar na verloop van tijd dringt zich de vraag op waarom? Eén van de aspecten waar zieners en andere futurologen begrijpelijkerwijs weinig aandacht voor hebben is de tegenreactie, de reactie die volgt op een ontwikkeling. Soms, of misschien zelfs vaak, is iets niet meer interessant zo gauw het mogelijk is. Ja, MTV bracht de wereldwijde beeldcultuur maar het is op z'n zachtst gezegd opvallend dat de populariteit van Nederlandstalige muziek, zelfs in dialecten, ongeveer parallel loopt aan de opmars van MTV. Zo gauw een cultuur wereldwijd is, is het wellicht interessanter om de eigen omgeving opnieuw te waarderen. En in plaats van beeld richt men zich op de taal, op het dialect. (Laten we nu niet dezelfde fout maken. Want natuurlijk is ook het verschijnsel van contrabeweging geen wet van Meden en Perzen. De wereldwijde populariteit van kledingmerken als Levi's wil niet zeggen dat we een hang naar klederdracht gaan vertonen.) Als MTV een icoon is van de beeldcultuur dan is de populariteit van lokale versies op z'n minst opvallend. De eerder genoemde slogans van Jenny Holzer en kreten van Brian Eno wijzen ook in de richting van een tegenreactie. Waarom worden woorden populair als beeldende kunst, juist in een tijd dat het beeld lijkt te overheersen? Een beeld zegt immers meer dan duizend woorden? En dat is precies het probleem. Vaak wil je geen duizend woorden zeggen. Wie bijvoorbeeld stop wil zeggen, zegt dat beter en krachtiger met een woord dan met een beeld. Het is niet voor niets dat het woord STOP tegenwoordig zelfs uitgeschreven staat op verkeersborden, zo men wil de pioniers van de beeldcultuur. Hetzelfde geldt voor woorden als liefde, macht, haat. Alleen een woord als oorlog wordt verslagen door de beelden van zichzelf. En daar zien we na Vietnam dan ook steeds minder beelden van. Nog een vreemde ontwikkeling als er daadwerkelijk sprake zou zijn van een allesoverheersende beeldcultuur die sinds die tijd is opgerukt. Misschien zijn mensen ook wel minder gefixeerd op beeld dan we voortdurend denken als het gaat om digitale media. Uit een onderzoek dat vijf jaar geleden aan de universiteit van Stanford in Californie is gestart en waarvan vorig jaar de eerste resultaten bekend werden gemaakt, blijkt het tegendeel. De onderzoekers brachten bij proefpersonen apparatuur aan die hun oogbewegingen registreerden terwijl ze webpagina's bekeken. Tot ieders verrassing bleek de aandacht veel meer uit te gaan naar tekst dan naar beeld. 64 procent van de beelden werden blikken waardig gekeurd tegen maar liefst 92 procent van de teksten. Sterker nog: foto's in bijvoorbeeld tijdschriften bleken veel beter bekeken te worden dan foto's op het web. Wat nou digitale beeldcultuur? Het is daarom waarschijnlijk niet voor niets dat het grootste deel van de virtuele wereld die internet geschapen heeft, bestaat uit tekst. Sterker nog, tekst is overheersender op internet dan enig ander aspect van ons leven. Zelfs in veel online spelletjes, toch dragers van de beeldcultuur bij uitstek, zit bijvoorbeeld een mogelijkheid tot chatten ingebouwd. Iemand in beeld voluit bloederig aan mootjes hakken zegt op den duur kennelijk toch te weinig. De populariteit van chatten is sowieso indicatie van een totaal andere cultuur die in hoog tempo terrein wint: de ouwehoercultuur. Om onverklaarbare redenen heeft de evolutie een deel van de mensheid opgezadeld met een grenzeloze babbelzucht die dankzij de mobiele telefoon en internet ook letterlijk grenzeloos is. Die babbelcultuur kan op den duur wel eens funester blijken dan de gevreesde beeldcultuur. Er wordt namelijk zoveel gebabbeld dat er amper nog tijd is om andersoortige informatie tot zich te nemen. Maar laat ik me beperken tot de beeldcultuur. Hoe kon het gebeuren dat de beeldcultuur als zo bepalend voor de nieuwe media werd gezien? Zoals bij zoveel aspecten van de digitale revolutie blijken vage verschijnselen opgeblazen te zijn tot verwachtingen ten aanzien van nieuwe alles overheersende ontwikkelingen. In de gewone wereld mag een zwaluw dan nog geen zomer maken, op het hoogtepunt van de digitale revolutie wilde men aan de hand van een enkel veertje nogal eens een complete klimaatverandering voorspellen. Dat is overigens niet vreemd, het is een menselijke eigenschap in opwindende tijden. Bovendien hebben wij mensen de neiging om datgene wat nu belangrijk is als bepalend voor de toekomst te beschouwen. Zo verwachtte men in de tijd van de maanlandingen dat we in het jaar 2000 allemaal op vakantie naar de maan zouden gaan. En al gaat er nu inderdaad nogal eens een vakantie naar de maan, dan toch veel minder letterlijk dan Henk Terlingen en Chriet Titulaer destijds dachten. Daarnaast was er niet alleen de opwinding over de digitale revolutie maar ook nog eens die aangaande de millenniumwisseling. Beide factoren versterkten elkaar nogal eens. Het magische jaar 2000, de start van een nieuw millennium, zou immers verandering brengen. Dacht men. Met als resultaat dat er geen grotere kater is gemeten dan die van het nieuwe millennium. Al in februari bleek het jaar 2000 wel heel erg op 1999 te lijken. Ik kan het verband niet aantonen maar het was ook precies in die tijd dat de internethype de top bereikte en de ineenstorting van de luchtkastelen begon. De toekomst was ineens heel erg iets van gisteren. Maar het is nog erger dan we denken. Deze week las ik in het dagboek van een webcammeisje dat ze een boek had gekocht: Het seksuele leven van Catherine M. en ze citeerde er een passage uit die zo bol stond van de lust dat de verbeelding niet wilde wijken. Ik keek er aanvankelijk van op. Waarom zou iemand die haar leven doorbrengt op internet staan te kijken van een boek als dit? Internet is immers vergeven van de pornografische beelden in werkelijk alle vormen, soorten en maten. Waarom dan opkijken van een paar woorden? Daarom. Naast het boek van Catherine Millet is een fotoboek verschenen, vervaardigd door haar echtgenoot, het is een boek met erotische foto's van de schrijfster. Welk van de twee boeken zal over honderd jaar de lezer nog opwinden? Het geschreven woord of de erotische afbeeldingen? Ik denk het eerste. De beeldcultuur schreeuwt misschien harder maar is ook eerder schor. En zelfs als het beeld oppermachtig is dan is de kans nog groot dat ze uiteindelijk opgenomen wordt in de taal. De smiley bijvoorbeeld zou het inderdaad tot leesteken kunnen schoppen. Het is dan een beeld dat geassimileerd is in de taal en niet andersom. Mag ik iedereen die gelooft in de onvermijdelijkheid en de oppermacht van de beeldcultuur verwijzen naar de eerste vormen van schrift, zoals het beeldschrift van de Egyptenaren? Die beelden vormden woorden. En die woorden waren nodig omdat de beelden alleen kennelijk niet voldoende zeggingskracht hadden. In tegenstelling tot het beeld reikt de taal namelijk verder dan de werkelijkheid. Zoals ook deze woorden bewijzen. Ik zou daarom willen afsluiten met een smiley. Maar die moet u er zelf bij verzinnen, want daar heb ik geen beeld van. Ik dank u hartelijk voor uw aandacht. Francisco van Jole Rotterdam, 3 november 2001. |
|
|
|